sitemap       contact       links       googlesearch

Het goed vormgeven van de inductieperiode heeft verschillende doelen:

Ad 1. Breed docentschap mogelijk maken
Een docent is bij voorkeur meer dan iemand die heeft leren te overleven in een klas. 'Het onderwijs' is gebaat bij leraren die weten wat ze willen bereiken met hun onderwijs, weten hoe ze dat kunnen bereiken en op grond daarvan keuzes kunnen maken ten aanzien van leerdoelen, didactiek, enzovoort. Hiervoor is het nodig dat in de opleiding en het functioneren van de docent primair het leren centraal komt te staan en de communicatie daarover van hoge kwaliteit is. Klassenmanagement is een middel, maar geen doel op zich. De aanstaande docent ontwikkelt meer middelen om te denken en communiceren over leren, i.p.v. als eerste te denken en praten over handelen (wat doe ik als een leerling lastig is in de klas). Leraren zijn gebaat bij een verdieping en verbreding in hun denken en communicatie over leren en onderwijs. Het maakt voor (aanstaande) docenten hun mogelijkheden en flexibiliteit als professional groter. Het maakt duidelijker dat het beroep van docent mogelijkheden biedt tot het realiseren van eigen passies. Bovendien kunnen aanstaande docenten op grond van hún drijfveren bewust kiezen voor het ontwikkelen van het docentschap binnen een bepaalde onderwijsvorm.

Ad 2. Een betere en doorlopende ontwikkeling tot docent vormgeven
Er bestaat een sterke scheiding tussen de verschillende stadia in de opleiding van docenten: de snuffelstage, de lio-stage, het beginnend docentschap en het ervaren-docentschap. De (aanstaande) docent wordt op een overdonderende manier geconfronteerd met wat het leraarschap inhoudt. Zo bestaat er een grote spanning tussen wat de Lio kán leren (qua tijd, ervaringen op de stageschool, enzvoort) en wat hij móet leren (om zijn startkwalificatie te behalen) en wat hij zou willen leren (om een 'brede' docent te kunnen worden). Er bestaat de wens tot een geleidelijke opbouw, waarbij de aanstaande docent ruimte heeft om met aandacht en tijd te leren wat het docentschap inhoudt. Aspecten die daarbij aan de orde zijn: rollen en contexten van het leraarschap; je moet je kunnen bezinnen op wat je wilt/waar je toe in staat bent als leraar. Je moet (eerst) kilometers maken om te kunnen bedenken wat je wilt leren; expliciete coaching op de diverse onderdelen van het brede docentschap; zicht op het gevarieerde onderwijslandschap; communiceren over leraarschap.

Ad 3. Een sterke praktijkopleiding vormgeven
De complexiteit van het beroep van docent wordt pas in zijn volle omvang zichtbaar in de praktijk. Nu wordt er een waterscheiding geconstateerd tussen de verschillende stadia van (aanstaand) docentschap. De snuffelstage bereidt maar nauwelijks voor op de lio-stage, de lio-stage maar matig op het aanstaande docentschap. Bij de projectteamleden bestaat er daarom de wens tot een sterke beroepsopleiding waarin een meer geleidelijke ontwikkeling tot breed docentschap vormgegeven wordt .

Ad 4. Reduceren van afbreukrisico's
'Je zult wel gek zijn om voor zo'n klas voor etterbakjes te gaan staan', 'Lekker makkelijk wel dat leraarschap, zo'n beetje werken tussen de vakanties door', 'Ik kan m'n talenten ook in het bedrijfsleven gebruiken: betaalt meer en ik krijg ook nog een fatsoenlijk bureau en een goede stoel!' Het maatschappelijk beeld van het leraarschap is niet bepaald florissant te noemen. Dat voelen en ervaren aanstaande docenten ook. Scholen hebben moeite om hun Lio's aan het onderwijs te binden, wat feitelijk betekent dat hun investeringen in toekomstige docenten leiden tot verlies. Een kwalitatieve impuls, waarbij aanstaande docenten aangesproken worden op hun talenten en de tijd krijgen om die te ontwikkelen in het onderwijslandschap kan deze afbreukrisico's naar verwachting verkleinen.