Ieder mens heeft er behoefte aan zijn leven in te richten zoals hij dat wil, zelf beslissingen te nemen, verantwoordelijkheid te dragen en zichzelf te kunnen zijn. Deze ervaring van autonomie wordt in adaptief onderwijs gezien als noodzakelijk voor een actieve en gemotiveerde leerhouding. Andere basisbehoeften zijn goede relaties met medemensen en competentie.
Deze drie basisbehoeften vormen het fundament voor het pedagogisch klimaat dat aan adaptief onderwijs ten grondslag ligt. In ‘Kenmerken voor kwaliteitsontwikkeling’ (uitgave PMPO, sep.1998) worden ze ook als zodanig behandeld. Over autonomie lezen we daarin bijvoorbeeld: “Kinderen willen dingen zelf doen, zonder de hulp of ondersteuning van volwassenen. Ze hebben een drang naar zelfstandigheid in zich. Ervaren dat je mag kiezen, beslissingen mag nemen, motiveert ze.
Bezigheden zonder ruimte voor eigen inbreng en waarbij kinderen onnodig aan de hand worden gehouden, demotiveren en worden door hen vaak als saai of zinloos ervaren.” Trouwens, vijftig jaar hiervoor schreef Kohnstamm al: “Het is zonder meer duidelijk, dat althans in de democratische landen de enkeling niet spoorloos mag versmelten in de massa, dat hij niet weerstandsloos door emoties en suggesties mag meegesleept worden, maar dat ook hier het denken onder eigen verantwoordelijkheden dus de opleiding daartoe, een zeer bijzondere plaats in de opvoeding moet innemen.” (Ph. Kohnstamm, Keur uit het didaktisch werk, Groningen 1948)
Voor de leerkracht die adaptief onderwijs nastreeft, zijn de drie basisbehoeften richtsnoer voor zijn professionele handelen. Als gevolg hiervan gaat dat handelen uit van vertrouwen in kinderlijke ontwikkeling en ontwikkelingsdrang. Alleen vanuit die basis kunnen leerkrachten een schoolwereld creëren die voldoende uitdaging en ondersteuning biedt voor actief leren en het ervaren van een groeiende competentie en zelfstandigheid.
De manier waarop je je onderwijs organiseert, hoe je toezicht op kinderen uitoefent, hoe je op ordeverstoringen reageert, hoe je overgangen tussen lessen laat verlopen, hoe je leiding en begeleiding geeft, welke klassenregels je hanteert en welke handelingsvrijheid je kinderen geeft zijn voor autonomie heel erg bepalend.
Autonomie vereist een rijke leeromgeving die op actieve wijze de behoefte van elke leerling erkent om zijn ontwikkeling zelf te realiseren. Een leeromgeving waarin kinderen veel zelfstandig kunnen doen, initiatief kunnen nemen, samen kunnen werken, van en met elkaar kunnen leren, samen ontdekkingen en leerervaringen kunnen opdoen. Zo’n leeromgeving werkt positief naar twee kanten:
- ze komt tegemoet aan het streven naar onafhankelijkheid en zelfontplooiing van kinderen;
- ze stelt de leerkracht in staat beschikbaar te zijn met extra bemoediging, aandacht en instructie voor diegenen die dat nodig hebben.
Doelend op het bevorderen van autonomie heeft Stevens het in zijn ‘Over denken en doen’ (PMPO, mei 1997) over de taak van leraren om kinderen te helpen zichzelf te helpen. Hij geeft in dat verband leraren een overweging mee: “Hoe strakker het regime in de klas, hoe minder kinderen de gelegenheid krijgen om te leren zichzelf te reguleren, om zelf de orde te bewaren.”
Bij adaptief onderwijs hoort de leerling mede-eigenaar te zijn van het onderwijsleerproces. Stevens: “Ook voor leerlingen die niet vlot meekomen, die meer dan anderen op onderwijs zijn aangewezen, zal de leraar met zijn aanpak zo dicht mogelijk blijven bij wat wij de aard van ontwikkeling en leren hebben genoemd: de leerlingen willen het zelf en kunnen het zelf... We treffen hier de kern van wat adaptief onderwijs heet.
Adaptief onderwijs betekent niet alleen aanpassing van het onderwijsaanbod aan de individuele behoeften van leerlingen (dit is éénrichtingsverkeer), maar ook en vooral de uitdaging om actief mee te doen: de leerling wordt uitgedaagd de leraar te informeren over wat hij denkt dat hij kan, voorstellen te doen en hiervoor ook verantwoordelijkheid te nemen en de leraar van zijn kant begeleidt dit proces, geeft de instructie die kennelijk nog nodig is, doet eventueel tegenvoorstellen en stelt afspraken voor. Leraar en leerling maken samen onderwijs, hoe zou het ook anders kunnen?”
Dit boekje heeft dezelfde opbouw als de twee andere boekjes over de basisbehoeften relatie en competentie: ‘Erbij horen en meetellen’ en ‘Laat dat maar aan mij over.’