Teamleider Lennart Jansen zegt daarover: “Ook in de onderbouw zijn we op die manier gaan werken, want natuurlijk leren sluit uitstekend aan bij scenario 4 van de basisvorming. We hebben voor dat concept gekozen, omdat het kinderen keuzemogelijkheden biedt en aansluit bij wat ze leuk vinden. Het is van groot belang dat deze leerlingen gemotiveerd zijn om te leren en dat ze om leren gaan met keuzes. Dat vinden we terug in natuurlijk leren.”
Leerlingen die met zware tassen van het ene naar het andere lokaal zeulen om daar volgestouwd te worden met theorie kent het Vader Rijn College voor de basisberoepsgerichte leerweg niet meer. Tijdens het werken aan praktische opdrachten komt de theorie aan de orde in de vorm van individuele instructie of in de vorm van workshops. Jansen: “De noodzakelijke theorie passeert wel degelijk de revue, maar dan gekoppeld aan de praktische opdrachten waar de leerlingen mee bezig zijn. Neem bijvoorbeeld leerlingen van zorg en welzijn die een lunch klaarmaken. Die moeten wel het een en ander weten over gezonde voeding en dan komt dus ook de Schijf van Vijf aan de orde.”
Pamperen
Het invoeren van natuurlijk leren heeft volgens Jansen alles te maken met leerlingenzorg. “De aspecten die van belang zijn voor een goede doorstroming van de leerlingen staan verwoord in de preambule van de basisvorming en van de examenprogramma’s. Daarin gaat het om zaken als leren leren en zelf verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leerproces. Dat waren nu juist de belangrijke aspecten, maar we pakten het niet op omdat we bleven functioneren als vaklesboeren. We kunnen natuurlijk best leerlingen hier vier jaar zoet houden en ze dan na vier jaar met een diploma over de muur schoppen. Vervolgens valt 40 procent op het roc uit. Als je de zorg serieus neemt dan moet je je leerlingen voorbereiden op de zelfstandigheid die ze op het roc krijgen en niet vier jaar lang pamperen. Binnen natuurlijk leren krijgen ze die verantwoordelijkheid.”
Een ander zorgaspect is de veranderde inzet van de mentoren. Vroeger zag een leerling zijn mentor een paar uurtjes in de week. Als een leerling zijn mentor wilde spreken, dan was die maar zelden dezelfde dag beschikbaar. We hebben nu koppels van twee mentoren gemaakt. De leerlingen werken met z’n allen in een grote ruimte aan hun opdrachten en daar is altijd een mentor aanwezig. Dat schept een heel andere band. De leerlingen vertellen hun mentoren meer dan ze anders zouden doen. Doordat een mentor veel van de leerlingen weet, kan hij ook veel adequater en sneller reageren op problemen.”
(Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen eerder in Leerlingen Zorg Magazine van januari 2006.)